De verleden tijd (vt)
Het is belangrijk om eerst te kijken of het werkwoord een persoonsvorm is. Als de persoonsvorm in de verleden tijd staat, dan kan het werkwoord zowel sterk als zwak zijn.
- Zwakke werkwoorden zijn regelmatig, deze veranderen niet van klank in de verleden tijd. (rennen-rende)
- Sterke werkwoorden zijn onregelmatig, deze veranderen wel van klank in de verleden tijd De sterke werkwoorden moet je 'gewoon' onthouden. (lopen - liep)
Stappenplan vervoegen zwakke werkwoorden in de verleden tijd
Voor de zwakke werkwoorden in de verleden tijd geldt:
- stam + te(n)
- stam + de(n)
Meestal weet je of de verleden tijd met -de(n) of -te(n) wordt geschreven. Als je het niet weet kun je 't ex kofschip gebruiken, dan volg je het stappenplan.
1. Noteer het hele werkwoord
- wensen
- branden
- verhuizen
2. Maak de ruwe stam (-en)
- wens
- brand
- verhuiz
3. Kijk naar de laatste letter van de stam
- wens: s
- brand: d
- verhuiz: z
4. Is de laatste letter van de ruwe stam één van de letters van
't ex kofschip
Ja nee
uitgang: te(n) de(n)
- wens+te = wenste
- brand + de = brandde
- verhuiz+de = verhuisde
5. Kijk goed of je het werkwoord in het enkelvoud of in het meervoud moet zetten
Let op: Sommige werkwoorden hebben letters die veranderen van een z in een s en van een v in een f! Je kijkt dan altijd naar de oude letter, ofwel: je maakt de stam door gewoon -en van het hele werkwoord af te halen, dit noemen we de ruwe stam. Pas nadat je de uitgang hebt bepaald (te(n) of de(n)) pas je het werkwoord aan!

Zwakke werkwoorden vervoegen, gebruik 't ex kofschip!