Komma
Komma's gebruik je om een zin overzichtelijk te maken. Een komma staat op de plaats waar je bij het hardop lezen even een rust neemt.
Gebruik van de komma
1. Voor een voegwoord Je zet bijna altijd een komma voor een voegwoord.
- Ik heb dorst, maar ik heb geen geld om drinken te kopen.
- Hij heeft een auto, dus fietst hij nooit meer.
2. Voor een bijzin In langere zinnen plaats je een komma voor de woorden waarmee een bijzin begint.
- Het schilderij, dat verplaatst moest worden, heeft de 'operatie' goed doorstaan.
3. Tussen twee persoonsvormen
- Toen ze thuis kwam, zag ze dat de kerstverlichting al brandde.
4. Een bijstelling Een bijstelling zet je tussen komma's.
- Janneke, het leukste meisje uit de klas, heeft nu ook de griep.
5. Delen van opsommingen
- Hij kocht andijvie, boerenkool, wortelen, aardappelen en een CD.

Komma: de ademhaling van je zin!