Meewerkend voorwerp (mv)
Om het meewerkend voorwerp te vinden moet je eerst de persoonsvorm, het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde en het lijdend voorwerp zoeken. Daarna kijk je welke zinsdelen nog over zijn en dan kijk je over je daar het woordje 'aan' of 'voor' voor kan zetten. Als het woordje 'aan' of 'voor' al in de zin staat, dan kijk je of je het kan weglaten, zonder dat de betekenis van de zin verandert.
Let op:
- Niet iedere zin heeft een meewerkend voorwerp.
- In een zin kan maar één meewerkend voorwerp staan.
- Het meewerkend voorwerp bestaat altijd uit een zelfstandig naamwoord.
- Zinsdelen die je al hebt benoemd, kunnen niet ook nog meewerkend voorwerp zijn!
- Als het woordje 'aan' of 'voor' in de zin staat, schrijf je dit woordje ook op, als het woordje 'aan' of 'voor' niet in de zin staat, dan schrijf je het niet op.
Zin wwg ow lvw mvw (aan/voor)
- Zij koopt een bal voor hem. koopt Zij een bal voor hem
- Hij geeft haar een zoen. geeft Hij een zoen haar
- Waarom heeft hij geld aan haar gegeven? heeft gegeven hij geld aan haar
- Morgen ruil ik deze trui. ruil ik deze trui ----
- De man wil een auto stelen. wil stelen De man Een auto ----

Meewerkend voorwerp: aan wie/wat? voor wie/wat?