Lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp hangt samen met het onderwerp en het werkwoordelijk gezegde in de zin. Om het lijdend voorwerp te vinden, moet je eerst het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp zoeken. Daarna stel je de vraag: Wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp? Het antwoord op deze vraag is het lijdend voorwerp.
Let op:
- Je stelt altijd eerst de wie-vraag, als daar geen antwoord op komt, dan stel je de wat-vraag.
- Zinsdelen die je al hebt benoemd, kunnen niet ook nog lijdend voorwerp zijn!
- Het lijdend voorwerp bestaat altijd uit een zelfstandig naamwoord.
- Een zin hoeft niet een lijdend voorwerp te hebben.
- Er kan altijd maar één lijdend voorwerp in de zin staan.
Zin wwg ow lvw (wie/wat+wwg+ow?)
- Ik koop een nieuw huis. koop ik een nieuw huis
- De grote man wil voetballen. wil voetballen De grote man ----
- Vind jij deze auto mooi? vind jij deze auto
- De groenteboer verkoopt prei. verkoopt De groenteboer prei
- De bestelauto rijdt snel. rijdt De bestelauto ----

Lijdend voorwerp: wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?