Persoonsvorm (pv)
In een zin zit altijd maar één persoonsvorm. De persoonsvorm van een zin is altijd een werkwoord. Werkwoorden zijn dingen die je kunt doen; fietsen, lopen, spelen, kruipen, klappen, slapen, etc.
Als je de persoonsvorm van een zin weet, dan kun je ook de andere zinsdelen benoemen. Zoek daarom altijd eerst de persoonsvorm (pv) in een zin, dit kun je op 2 manieren doen:
- Maak de zin vragend; de persoonsvorm is het eerste werkwoord dat vooraan staat.
- Zet de zin in een andere tijd; het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
Let op: Sommige zinnen beginnen met een vragend voornaamwoord of vraagwoord, deze zinnen staan dus al in de vragende vorm. Het eerste woord is dan dus geen werkwoorden dus geen persoonsvorm. Je moet dan op zoek naar het eerste werkwoord. Bijvoorbeeld:
- Waarom ga jij op vakantie? Het eerste werkwoord is ga ga = persoonsvorm
- Welke docent vind je het leukst? Het eerste werkwoord is vind vind = persoonsvorm
Als je denkt dat je de persoonsvorm in een zin hebt gevonden, controleer dan altijd je antwoord. Dit kun je bij de persoonsvorm doen door er de woorden 'om te' voor te zetten. De persoonsvorm is altijd een vorm van een werkwoord. Kan 'om te' er niet voor, dan is het ook niet de persoonsvorm.
- Ik kook op maandag. persoonsvorm = kook controle: om te koken
- Ik fiets naar school persoonsvorm = fiets controle: om te fietsen

De persoonsvorm: het werkwoord dat de tijd en de vorm van de zin bepaalt