Voorzetsel (vz)

Voorzetsels staan vaak voor een zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: voor, achter, naast, in, op, door, over, uit, boven, onder, om, tegen, aan, binnen, buiten, langs, tijdens, sinds, bij, tot, zonder, met, behalve, naar, na, via, per, te, tegen, volgens.

Voorzetsels worden ook wel 'kast-woorden' of 'film-woorden' genoemd, omdat je deze worden voor 'de kast' of 'de 'film' kunt zetten. Kijk maar:

  • Op de kast
  • In de kast
  • Naast de kast
  • Tijdens de film
  • Gedurende de film

Met een voorzetsel kun je ook een 'waar' of een 'wanneer' aangeven.

  • Zij staat achter het huis.
  • Hij staat in de tuin.
  • Ik ben beneden in de kelder.
  • Wij verhuizen per 1 maart.
  • Hij is vrijgezel sinds dit jaar.
  • Hij blijft hier tot morgen.

Let op: Soms heb je niet te maken met een voorzetsel maar met een scheidbaar werkwoord. Dan bestaat het werkwoord uit twee delen.

  • Nakijken: Ik kijk het werk na.
  • Opstaan: Ik sta altijd om 6 uur op.                                                                                                                          Na en op zijn in deze zinnen geen voorzetsels, maar ze horen gewoon bij het werkwoord!
Voorzetsels:                                            kastwoorden of filmwoorden
Krijn Taconiskade 346, 1087 Amsterdam
Alle rechten voorbehouden 2024
Mogelijk gemaakt door Webnode Cookies
Maak een gratis website. Deze website werd gemaakt met Webnode. Maak jouw eigen website vandaag nog gratis! Begin