Voorzetsel (vz)
Voorzetsels staan vaak voor een zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: voor, achter, naast, in, op, door, over, uit, boven, onder, om, tegen, aan, binnen, buiten, langs, tijdens, sinds, bij, tot, zonder, met, behalve, naar, na, via, per, te, tegen, volgens.
Voorzetsels worden ook wel 'kast-woorden' of 'film-woorden' genoemd, omdat je deze worden voor 'de kast' of 'de 'film' kunt zetten. Kijk maar:
- Op de kast
- In de kast
- Naast de kast
- Tijdens de film
- Gedurende de film
Met een voorzetsel kun je ook een 'waar' of een 'wanneer' aangeven.
- Zij staat achter het huis.
- Hij staat in de tuin.
- Ik ben beneden in de kelder.
- Wij verhuizen per 1 maart.
- Hij is vrijgezel sinds dit jaar.
- Hij blijft hier tot morgen.
Let op: Soms heb je niet te maken met een voorzetsel maar met een scheidbaar werkwoord. Dan bestaat het werkwoord uit twee delen.
- Nakijken: Ik kijk het werk na.
- Opstaan: Ik sta altijd om 6 uur op. Na en op zijn in deze zinnen geen voorzetsels, maar ze horen gewoon bij het werkwoord!

Voorzetsels: kastwoorden of filmwoorden